|
Vrijheid van godsdienst: weer een eigen kerkPas toen de Republiek der Verenigde Nederlanden in 1795 ineenstortte, kon er langzaamaan weer meer vrijheid voor katholieken komen. Na de Franse tijd keerde prins Willem van Oranje uit Engelse ballingschap terug naar Nederland. Op 30 november 1813 zette hij in Scheveningen weer voet aan de grond. In 1815 werd hij vervolgens de eerste koning van het Koninkrijk der Nederlanden. Reeds in ballingschap had hij vrijheid van godsdienst in het vooruitzicht gesteld. Toch duurde het nog jaren voordat verzoekschriften van Scheveningse katholieken om een parochie en een kerk te mogen oprichten, succes hadden. De toestemmingsbrief d.d. 22 mei 1830 gaf aan dat het niet alleen in het belang van de Rooms-Katholieke ingezetenen van Scheveningen was om een kerk en een herder te bezitten, maar ook noodzakelijk om de badgasten in de gelegenheid te stellen de godsdienstoefeningen geregeld te kunnen bijwonen. Scheveningen was niet langer louter een vissersdorp!In korte tijd werd de bovenzaal van het logement annex koffiehuis ‘Hof van Holland’, gelegen aan de Kerkwerf (nu: Keizerstraat 27), ingericht tot kerkzaal. Deze lag schuin tegenover de oude Antonius Abtkerk aan de Keizerstraat, die in protestantse handen bleef. Kapelaan Arnoldus Cornelis Quant werd al op 30 juli 1830 geďnstalleerd als pastoor. ![]() Twee jaar later kon het kerkbestuur het hele pand kopen van de eigenaar van het logement om er een ‘echte’ kerk neer te zetten. De koning gaf niet alleen zijn toestemming voor de bouw, maar schonk ook 9.000 gulden. Het kerkje dat in 1834 gereed kwam had plaats voor 180 kerkgangers, terwijl de katholieke gemeenschap 50 gezinnen ofwel 300 zielen telde. |